Ten zuiden van het Schillenveen

 

Vandaag konden we een mooie route uitstippelen waarbij we steeds in hetzelfde kilometerhok bleven. Twee jaar geleden waren we hier ook al eens, maar waren toen vooral in meerdere hokken boven het Schillenveen actief. Wel vonden we indertijd in dit hok enkele restanten van de Oliebolzwam (Rhizina undulata (BE)) langs het fietspad, waarna Hans Post toen alsnog een mooie groep verse exemplaren iets verderop in het bos vond. Vandaag schitterden ze door afwezigheid, maar dat was zo laat in het jaar niet onverwacht.

 

We troffen het vandaag met het weer, want op een paar druppies na bleef het tijdens deze inventarisatie droog. De rit vanaf de brink in Norg ernaartoe ging via de Roeghoornweg, een echte zandweg die zichtbaar lijdt onder de huidige weersomstandigheden. Gelukkig bleef niemand erin steken, hoewel het op het laatste stukje alsnog ietwat precair werd. Paddenstoelen waren er genoeg te vinden en de namen ervan vlogen me in het begin om de oren. Uiteindelijk werden er zo’n 125 in ’het boekje’ genoteerd en dat is best een redelijke score in één hok, maar ook niet meer dan dat. Grote uitschieters waren daar vandaag niet bij, maar genoeg interessante en mooie dingen al was het maar om te fotograferen. Zo’n Rode zwavelkop (Hypholoma lateritium) langs het fietspad bijvoorbeeld is zo’n object die de moeite waard is en bovendien komen we hem niet zo vaak tegen.

 

Het deel van het bos waar we verkeerden is enerzijds gevarieerd qua samenstelling en kent verder grotere percelen waar de Japanse lork (Larix kaempferi) domineert. Daar konden we o.a. de Kopervloksteelgordijnzwam (Cortinarius spilomeus) noteren die we een week eerder in het Mensingebos bij Fijnspar (Picea abies) zagen. Uiteraard werd wel even gecontroleerd of het niet sporenpoeder op de steel was wat we zagen, om een vergissing te voorkomen. Wat opviel waren de enorme Groene glibberzwammen (Leotia lubrica) die zich kennelijk volgezogen hadden waardoor het net groene monstertjes van een andere planeet leken. In deze (veel te) natte periode zie je meer zwammen die buitenproportionele groottes bereiken, bijvoorbeeld joekels van aardappelbovisten.

 

Een russula waarbij verwarring kan ontstaan is bij de braakrussula’s. Die bij de Beuk  (Fagus silvatica) herkennen we meestal wel als de Stevige braakrussula (Russula mairei), hoewel de Kleinsporige braakrussula (R. silvestris) daar ook bij kan voorkomen. Eerder heette hij de Loofbosbraakrussula) en die kan tevens bij naaldbomen groeien. Wat eerder door het leven ging als de Naaldbosbraakrussula heet nu de Grootsporige braakrussula (R. emetica). Deze soort komt vooral voor bij dennen, maar dus ook bij andere naaldbomen. Het verschil tussen beide zit hem vooral in de grootte van de vruchtlichamen, waarbij de laatste tot wel een keer zo groot kan zijn (12 om 6 cm). En als je het niet vertrouwt kun je natuurlijk de sporen gaan meten, maar dat schiet er meestal (bijna altijd) bij in. We kwamen trouwens al deze russula’s in de verschillende milieus tegen.

 

Verwarring kan ook ontstaan bij witte ridderzwammen. We zagen een mooie groep staan zo tegen het eind van de excursie waarbij de vraag zich opdrong met welke soort we hier te maken hadden. De Witte duifridderzwam (Tricholoma columbetta (BE)) viel af, want die heeft een zwakke meelgeur. Deze echter hadden een kenmerkende geur, maar over hoe die moet worden omschreven wordt verschillend gedacht. Je zou dat gemakkelijk als onaangenaam kunnen duiden, maar ikzelf vind het geen onaangename geur. Maar hoe dan wel? Feit is dat er twee kandidaten overblijven en wel de Okerwitte ridderzwam (T. stiparophyllum (KW)) en de Witte ridderzwam (T. album (KW)). Die eerste heb ik samen met Henk Pras voor het eerst in Drenthe bij Peest ontdekt en later kwamen we hem met de werkgroep nog een keer in het Natuurschoonbos tegen. Maar die wordt niet voor niets okerwit genoemd vanwege de hoedkleur en dat ontbrak eraan en dus kwamen we uit op de Witte ridderzwam. Microscopisch zijn ze nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

 

Tussen de bedrijven door was er dus genoeg te beleven. Zo dook voorwaar opnieuw de Tonnetjesmycena (Mycena picta (BE)) op, we zagen een mooi exemplaar van de Zwartvoetkrulzoom (Tapinella atromentosa (KW)), een fraai exemplaar van de Appelrussula (Russula paludosa (KW) en misschien was de goudgele uitvoering van de Holsteelboleet (Suillus cavipes (KW)) wel de mooiste. Tussendoor benoemde Grishja nog de Sterspoorvezelkop (Inocybe asterospora (KW)) in het veld vanwege het knolletje aan de voet en andere veldkenmerken, maar voegde eraan toe dat microscopie ervan wel nodig blijft. Aldus geschiedde en hij had het bij het rechte eind.

 

Cees Koelewijn, coördinator

 

 

Klik hier voor meerdere foto's

Klik op  de foto voor een vergroting

Hard aan het werk, foto: Hans Post

Rode zwavelkop, foto: Hans Post

Kopervloksteelgordijnzwam, foto: Grishja van der Veer

Witte ridderzwam, foto: Harry Harms

Tonnetjesmycena, foto: Tineke Schwab