Inventarisatie in De Onlanden (16/10)

 

Vandaag waren we ’s morgens te gast bij Cor Postema die aan het eind van het zandpad ten oosten van de Rodervaart tegenover de oude vuilstort (De Stort) beestjes houdt. Hij woont er niet, want daarvoor zijn de schuren niet geschikt en bovendien zou zijn partner dat niet willen. Elke dag komt hij vanuit zijn woonplaats Norg op zijn brommer hiernaartoe om zijn dieren te verzorgen en wat te klussen. Binnen heeft hij allerlei soorten kippen (en hanen) en konijnen en buiten lopen pony’s, een ezel en paarden (deels van een ander). Het is een niet al te groot, nat laagveengebiedje met moerasbos dat grotendeels voor ons niet toegankelijk was. Niet omdat het werd verboden, maar gewoon omdat het er zelfs met laarzen aan te link is het te willen betreden.

 

Na de kennismaking van Cor met de anderen gingen we eerst de omgeving van de bebouwing verkennen. Dat leverde een trits aan soorten op, maar daar waren geen schokkende zaken bij. Nou ja, een Blauwe kaaszwam (Postia caesia) verwacht je niet in een laagveengebied, maar als er naaldhout ligt is het dus wel mogelijk. Wel was er een interessante vezelkop bij die er in groepjes tussen de verharding groeit. Die moet echter nog nader door een specialist worden bekeken, maar alles wijst erop dat we uiteindelijk te maken hebben met een rare uitvoering van de Zandpadvezelkop (Inocybe lacera). Een officiële naam is er dus (nog) niet, maar wel zijn er de nodige foto’s van gemaakt (zie hiernaast). Na deze verkenning werden de randen van de oprit (ca. 50 meter) bekeken en daar waren aan paar leuke soorten bij. Je verwacht er niet direct de Donzige melkzwam (Lactarius pubescens) te zien en dat geldt tevens voor de Berkenridderzwam (Tricholoma fulvum). Zonder het te weten is het dan duidelijk dat er berken staan. Ook troffen we daar het Gekarteld leemkelkje (Tarzetta catinus) en de Zwarte kluifzwam (Helvella lacunosa). In de weitjes waar de pony’s lopen viel niet veel te beleven. Wel was het leuk om te zien de pony’s enthousiast rond te zien draven, die daarmee de grond onder onze laarzen deed schudden. Dan weet je hoe ze dat in het aardbevingsgebied ervaren, maar daar beleven ze er bepaald geen lol aan. Na een rondleiding langs de dieren in de schuren namen we buiten plaats in heuse fauteuils (Harry en ik) en de anderen moesten genoegen nemen met wat eenvoudiger zitelementen. Vanaf die plek hadden we een prachtig uitzicht over de landerijen.

 

Wat daar onder meer ter sprake kwam was de voormalige vuilstort aan de andere kant van de vaart. Volgens Cor was er niet veel te beleven, vooral veel brandnetels, en daarom werd er maar van afgezien daar heen te gaan. Dat scheelde bovendien een pittige wandeling ernaartoe. Wat ons allen was opgevallen waren de vele hopen organisch materiaal langs de Rodervaart (nog meer brandnetels!). Wat het was wisten we wel, want op diverse plekken was de vaart dichtgegroeid met de Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides). Dat is daar en in en om het Leekstermeer een ernstig probleem dat schier onoplosbaar lijkt. Na andere wereldbeschouwingen en het nuttigen van de lunch, m.m.v. de buiten rondscharrelende kippen, vertrokken we richting Sandebuur.

 

Iets voorbij Sandebuur ligt een veelbelovend terrein van Staatsbosbeheer in het waterbergingsgebied waarover ik het had in de agenda. Hier stonden in het voorjaar heel veel rietorchissen (Dactylorhiza praetermissa subsp. praetermissa) waardoor het vermoeden rees dat het best een interessant paddenstoelengebied kon zijn. Daarover heb ik contact gehad met Staatbosbeheer want als dat zo is moet het gebied wel open worden gehouden. Doe je dat niet dan groeit het net als zoveel in de directe omgeving dicht met wilgen, berken, elzen en zelfs met Fijnspar (Picea abies) waarvan er al heel wat jonge boompjes stonden. Die zijn vermoedelijk uit een dichtbijgelegen sparrenbos aan komen waaien. We horen later wel of Staatsbosbeheer er oren naar heeft, want ook floristisch schijnt het naast de orchideeën best de moeite waard zijn de stukken die nu nog open zijn open te houden.

 

De inventarisatie van het terrein vandaag viel qua aantal soorten tegen. De meest bijzondere, dachten wij, waren de twee gordijnzwammen en wel de Geelplaatgordijnzwam (Cortinarius croceus) en de Kaneelkleurige gordijnzwam (C. cinamomeus). De laatste kennen wij o.a. van het Buinerveld. Omdat Inge zeer geïnteresseerd is in vertegenwoordigers van het subgenus Dermocybe, waaronder beide vallen, informeerde ik haar over onze vondst, want daarvan wil ze graag materiaal hebben. Maar toen ze hoorde van de geaardheid van het terrein waar we ze hadden gevonden rees er twijfel, omdat het milieu niet past bij C. cinamomeus. Een foto van het materiaal en het feit dat er sparretjes stonden bracht haar ertoe om toch maar te komen kijken. Ter plekke was ze er snel klaar mee, voor beide luidde het oordeel dat het niet was wat we dachten. Waarschijnlijk is het de Valse veenmosgordijnzwam (C. huronensis) die twee variëteiten kent: var. huronensis met roodachtige lamellen (jong nog geelachtig) en de var. violaceus met gele lamellen. Bij C. cinamomeus geldt dat de lamellen al in een jong stadium rood zijn gekleurd. Weer wat geleerd! Gelukkig vonden we ook nog andere (altijd lastige) gordijnzwammen waar geen discussie over was, de Kousevoetgordijnzwam (C. saturnius) en de Siersteelgordijnzwam (C. decipiens).

Een bezoekje aan het hierboven al genoemde sparrenbosje leverde slechts drie triviale soorten op. Het was trouwens meer een poging om er in te komen, maar manshoge brandnetels, een wirwar van bramen en ander gespuis maakten dat we het bij een poging hielden. Op het lijstje van vandaag prijkten niet al te veel soorten, maar dat was min of meer wel verwacht. De grootte van het gebied wat we vandaag bezochten was veel te beperkt om (veel) meer te verwachten en de aard van de terreinen waren er debet aan. Een groot verschil dus met de km-hokken in bosgebieden waar we de laatste tijd 130 tot meer dan 150 soorten vonden.

 

Cees Koelewijn, coördinator       

 

Klik hier voor meer foto's