Uniek bos (het Buinerbosje)

 

De vorige keer schreef ik al dat Henk Pras en ik dit ’bosje’, want echt groot is dit sparrenbestand niet (ca. 10 ha), sinds 2003 regelmatig frequenteren. Het maakt deel uit van het Buinerveld dat weer onderdeel is van de veel grotere Boswachterij Exloo. Na de ontdekking van spectaculaire vondsten (w.o. de Slijmige spijkerzwam (Gomphidius glutinosus BE)) is het een meetpunt van onze werkgroep geworden. Dat betekent dat we hier jaarlijks zeker vier keer aanwezig zijn. Daarbij worden we met enige regelmaat begeleid door Geert de Vries die hier in de buurt woont. Met zijn hond Wanda verkeert hij hier vaker en als er iets bijzonders te melden valt worden we hiervan op de hoogte gesteld. Nu was er de melding van hem dat er heel veel Amandelslijmkoppen (Hygrophorus agathosmus (EB)) stonden. Geert en zijn hond waren er vandaag uiteraard bij en ook Wil Folkers en Harry Harms gaven deze dag acte de présence.

 

Die slijmkoppen stonden er inderdaad volop, een paar duizend schatten we, maar er stond zoals bijna altijd veel meer fraais. Van de 118 soorten bleken er 16 op de Rode Lijst te staan, dus pakweg 15%, en dat was heel wat meer dan de 4%-score in de Lettelberterpetten. Toen schreef ik al dat je daar niet echt veel uit kunt opmaken, want ook toen hebben we ons met tal van soorten meer dan uitstekend vermaakt. Die Amandelslijmkop is een begeleider van sparren en altijd een zeldzame verschijning in Nederland geweest. Voor 1990 kwam deze soort verspreid voor in Midden-Nederland, maar nu, op één atlasblok na (in N-Br), moet je in Groningen-Drenthe zijn om hem te zien, waar hij in 8 atlasblokken bekend is. Vooral de vondst in het bosje bij Kolham was van belang, omdat het daarom voor ’sloop’ (grootschalige kap) moest worden behoed, iets waar Roel Douwes zich hard voor maakte. Ik denk niet dat Henk en ik de barricaden opgaan om t.z.t. ’ons’ Buinerbosje te behouden, maar je weet maar nooit.

 

Op de plek waar we onze voertuigen stallen is eerst een stukje loofbos dat al snel overgaat naar het sparrengedeelte. In beide delen troffen we net als de vorige keer op meerdere plekken de Vleeskleurige zalmplaat (Clitopilus geminus) aan waarover Geert zich uiterst gelukkig toonde, want tot dan nooit eerder door hem gezien en dus niet gefotografeerd. Naast deze soort wilde hij ook graag de Kleine sparrenrussula (Russula nauseosa (KW)) fotograferen, maar dan moest er wel voldoende rood in de hoed zitten. Dat is heel aardig gelukt, maar niet in de vooraf verwachte Groenwordende koraalzwam (Ramaria abietina (BE)), want die miste het kenmerkende groen. Kennelijk hebben de voortdurende regenbuien een vervagende invloed op het pigment in de paddenstoelen, zoals dit vaak is te zien bij russula’s.

 

Van de paar duizend Slijmige spijkerzwammen waren deze keer nog enkele tientallen over. Van een andere ’vaste gast’, de Fijnschubbige trechterzwam (Clitocybe squamulosa (KW)) waren maar enkele exemplaren aanwezig. Deze vrij zeldzame soort is in Drenthe pas in 2004 bij Westerbork ontdekt. Hilly Tepper van de Vlinderwerkgroep van IVN Roden-Norg meldde dat ze in de buurt van haar vakantiehuisje een vreemde paddenstoel had ontdekt. Daar zijn we gaan kijken en toen bleek het om deze soort te gaan. Sindsdien is hij op meer plekken in Drenthe ontdekt en wel zo vaak dat onze provincie qua verspreiding als kerngebied van deze soort mag worden beschouwd. Een andere zeldzame vaste gast is de Vierslippige aardster (Geastrum quadrifidum (EB)) die, klein van stuk, op niet bemoste delen tussen de sparrennaalden groeit. Het lijkt erop dat hij hier op steeds meer plekken in het bos voorkomt en dan ook nog in grotere aantallen.

Deze waarneming, buiten het meetpunt, maar wel in hetzelfde bosje, werd voorafgegaan door enkele andere mooie vondsten. Daarbij was het Echt hazenoor (Otidea leporina (BE)) dat tegenwoordig als een vrij algemene soort mag worden beschouwd. En dus is dat ’BE’ niet geheel op zijn plaats, want was hij voor 1990 in 20 atlasblokken aanwezig, nu is dat aantal verdriedubbeld en komt hij, op één na, in alle provincies voor. Zeeland en Zuid-Limburg zijn nog witte vlekken op de kaart. Ook vrij algemeen is de Purperknolcollybia (Collybia tuberosa (KW)) die we vrijwel gelijktijdig met zijn verwant de Okerknolcollybia (C. cookei) vonden.

 

We waren al bijna aan het eind van ’ons bosje’ beland toen ’de klapper van de dag’ zich aandiende..., dachten we. Op een sparrenkegel groeide namelijk een erg kleine, bleekgele mycena van hooguit 1 cm. Voor ons compleet onbekend en daarom werd er met enige zorg mee omgesprongen nadat er enkele (goed geslaagde) foto’s van werden gemaakt. Henk ontfermde zich over het kleinood om thuis verder te bekijken. Wij beiden kwamen tot de ontdekking dat hij als twee druppels water overeen kwam met een afbeelding van de Mycena citrinovirens op blz. 101 in ’The genus Mycena s.l.’ van Arne Aronsen & Thomas Læssøe. Microscopische controle bevestigde min of meer dat het hem wel moest zijn, zij het dat dit onder voorbehoud is. Elders is hij bekend van Groenland en Zuid-Noorwegen waar hij groeit op dunne jeneverbestwijgjes. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat deze mycena wellicht over het hoofd wordt gezien. Een toepasselijke Nederlandse naam zou volgens Henk de Bleekgele naaldhoutmycena kunnen zijn. Dat kunnen we echter wel vergeten, want een nadere microscopische controle door Inge wees uit dat het hen beslist niet kon zijn. Inge dacht vanwege enkele microscopische kenmerken meer aan een Mycena filopes-achtige waarvan er vele van voorkomen. Dus was dit uiteindelijk níet 'de klapper van de dag'.

 

Via een pad dat het sparrenbosje scheidt van een strook met loofbomen werd de terugweg aanvaard. Meestal volgen we het schelpenpad langs de heide, omdat we dan eerder terug zijn. Nu konden we het aantal soorten nog behoorlijk opkrikken, want in tegenstelling tot de vorige inventarisatie viel er best veel te beleven. Er stonden op meerdere plekken opvallend veel plukjes Gewoon varkensoor (Otidea onotica (KW)). Wat vooral de aandacht trok was een polypoor die groeide in een strook van een meter op een liggende, dode eikenstam waarbij we niet direct een naam paraat hadden. Er werd getwijfeld, maar uiteindelijk kwamen we tot de conclusie dat het een Doolhofelfenbankje (Cerrena unicolor (BE)) was, een soort die bij eerdere gelegenheden vlotter werd benoemd.

 

De inbreng van Wanda liet wederom te wensen over. Wel toonde ze grote belangstelling voor mijn lunchpakket, waarbij ze een duidelijke voorkeur had voor mijn dik belegde broodjes ham-kaas. Gelukkig had ik al rekening met  haar aanwezigheid gehouden en dus leden we geen van beide honger. Zo omstreeks 15,45 uur kwamen we weer bij de auto’s aan, precies op het moment dat de voor de hele dag aangekondigde regen op ons neerdaalde.

 

De volgende inventarisatie vindt hier plaats in de periode van 2 t/m 5 november en net als andere keren zijn belangstellenden welkom.

 

Cees Koelewijn, coördinator        

 

klik hier voor meer foto's