Bij Inge en Johnny, 14 november 2020

 

Vandaag waren Henk Pras en ik op bezoek bij Inge en Johnny, deze keer op een rustige zaterdag. Zij wonen een eindje buiten Altena en daar, aan de Oostingslaan 13, beschikken over een ca. 2 ha groot, divers ingericht terrein. Er lopen honden, kippen, schapen en paarden rond en allerlei andere dieren zijn er te zien, waaronder zelfs een half-tamme haas en allerlei ander spul. Nu wonen ze er nog, maar volgend jaar verkassen ze in maart naar Wessinghuizen tussen Wedde en Onstwedde. Dat valt onder, hoe kan het ook anders, Vlagtwedde. Daar, aan de Ruiten-Aa, gaan ze beschikken over een 3,7 ha groot terrein. Voor het grootste deel zit er een natuurbestemming op (natuurlijk weiland), waar het beheer vaststaat. Dat betekent (waarschijnlijk) minder werk, maar het is maar net hoe ze het resterende gedeelte, iets minder dan een ha, uiteindelijk gaan inrichten en beheren. Natuurlijk is het jammer dat ze gaan verhuizen, maar er is goede hoop hun huidige terrein over een aantal jaren te kunnen gaan inventariseren om zo een goed beeld van de mycoflora aldaar te verkrijgen. Ik voorspelde (veel) meer dan 200 soorten. Uiteraard gunnen wij hen hun nieuwe plek van harte en i.i.g. Inge blijft actief binnen de werkgroep (beloofde ze).

 

Zij volgt een IVN-Natuurgidsencursus en werd vandaag vergezeld door Marian Bakker uit Roden die de cursus ook volgt en best geïnteresseerd was hoe zo’n inventarisatie verloopt. Inge zien we dus wel vaker en wellicht Marian ook. Ik was er ruim drie weken eerder ook al eens geweest en toen wat rondgeneusd, maar minder intensief dan vandaag. Wat me het meest van de vorige keer bijstond waren de vele Heideknotszwammen (Clavaria argillacea (KW)) die vaak in een bundeltje bijeen stonden. Hun aanwezigheid was reeds bekend en in de agenda werd deze ’knots’ als lokkertje genoemd. Het mooie was er helaas af, ze stonden er een beetje verpieterd bij, maar ik had ze al gefotografeerd toen ze er nog in volle glorie bijstonden. Dat er gedurende een paddenstoelenseizoen snel iets kan veranderen bleek uit het feit dat tijdens mijn eerste bezoek 14 soorten werden gezien die de tweede keer niet aanwezig waren. Toen stond er nog de Witschubbige gordijnzwam (Cortinarius hemitrichus), een begeleider van berken. Nu waren ook de Grauwe bossatijnzwammen (Entoloma rhodopolium) niet meer te zien, terwijl ze de keer ervoor massaal aanwezig waren. Daar staat wel tegenover dat er vandaag 30 soorten werden gescoord die er toen niet stonden. Wellicht heeft dat vooral te maken met de intensievere, meedogenloze paddenstoelenjacht op deze dag. Overigens waren er 31 doublures waardoor het totaal op hun terrein dit jaar uitkwam op 75 en daarmee zijn we nog een heel stuk verwijderd van de ruim 200 te  verwachten soorten.

 

Zoals bijna altijd was er weer een ’klapper van de dag’ die door Marian werd ontdekt. Het was een staalsteeltje (dus behorend tot het geslacht Entoloma = satijnzwam). Bij het zien van staalsteeltjes wordt altijd verrukt gereageerd. Dat ’staalsteeltje’ hebben ze te danken aan de meestal glad gepolijste staalgrijze of staalblauwe steel en verder vallen ze op door hun vaak uitbundige kleuren. Er komen zo’n 40 soorten staalsteeltjes in Nederland voor en op een enkele na zijn het Rode Lijstsoorten en/of soms extreem zeldzaam. Er valt op dit gebied ook nog wel iets te ontdekken. Zo werd er dit jaar in Limburg in een kalkgrasland (goed voor de helft van de staalsteeltjes) een mondiaal nieuwe soort ontdekt die als voorgestelde naam Kalkminnend staalsteeltje (Entoloma isborscianum) meekreeg. Daar, in Limburg, werd verder de zeer zeldzame Verkleurende satijnzwam (E. allospermum) gezien die onder invloed van de zon verkleurt van diepblauw in bruin. Ook de Violetgroene satijnzwam (E. violaceoviride), Citroensteel- en Groensteelsatijnzwam (E. chloropolium en E. incanum) mogen er qua kleur zijn. De laatste blijkt na moleculair onderzoek trouwens een dubbelganger te hebben die er slechts van te onderscheiden is na microscopisch onderzoek. Ik zal het hier maar niet hebben over de door mij ontdekte IJsvogelsatijnzwam (E. alcedicolor). Dat verhaal is (bij de meesten) wel bekend.

 

Wat in de tuin van Inge en Johnny stond was de Fraaie satijnzwam (E. lepidissimum (GE)), die inderdaad erg fraai is (zie foto). Wat dat betreft worden staalsteeltjes wel vergeleken met wasplaten, ook meestal mooi van kleur en tevens zeer kritisch ten aanzien van de milieuomstandigheden. Deze fraaie verschijning is volgens de Verspreidingsatlas bekend in 13 atlasblokken (uurhokken = 5 x 5 km) en daar komt dit hok dus bij. Maar ook nog een hok, want eerder hadden we hem ook al eens gezien tijdens een excursie naar het wasplatenparadijs Junner Koeland. Door een misverstand bleek dat hij toen (met 140 andere waarnemingen) niet te zijn gemeld. Waar één waarneming al toe kan leiden! Vermeldenswaard in de tuin waren de Dromedarisluizen (Tuberolachnus salignus). Een toepasselijke naam vanwege het bultje op hun rug. Luizen zijn vivipaar, dus levendbarend. Vele houden er een aseksuele (parthenogenetische) leefwijze op na en bij deze soort zijn zelfs nooit mannelijke exemplaren gezien (Hét ideale scenario voor de wereld en de mensheid?). Ik kende deze luis niet, afkomstig uit Azië, maar nu komt zij (dus) ver daarbuiten ook voor. Dat salignus verwijst naar hun favoriete voedselbron, de wilg (Salix).

 

Na de lunch zijn Henk en ik nog even wezen kijken in het Tolnerbosje ’onder de rook van Altena’. De bermen in dit gebied staan bekend om de grote mycologische waarde, maar die laten het dit jaar na de droogte in de zomer afweten. Toch vonden we nog enkele ’bermvertegenwoordigers’ waaronder een goede bekende: de Wortelende gordijnzwam (Cortinarius rigens) met de naar de basis puntig aflopende steel. Met recht kun je bij deze kloeke zwam spreken over een Groningse soort, want daar is het een algemene verschijning. In Nederland zijn ze ook goed vertegenwoordigd in het rivierkleigebied. Heel opvallend waren de kakelverse exemplaren van de Zwavelmelkzwam (Lactarius chrysorrheus). Het Tolnerbosje was leuk om er even rond te wandelen, maar echt opvallende soorten werden er niet gezien.

 

Cees Koelewijn, coördinator   

 

Klik hier voor meer foto's