Van Sauwerd naar Lettelbert, 2 november

 

Op het laatste moment een excursiedoel wijzigen is riskant, want bereik je dan nog wel alle mensen. Gelukkig heb ik er geen klachten over gehad en stond er een grote groep mensen te trappelen van ongeduld bij boerderij (werkschuur) De Hooilanden van Het Groninger Landschap om het natuurgebied De Lettelberter Petten in te trekken. Soms is het handiger te melden wie er niet was, maar traditiegetrouw melden we de aanwezigen: Inge Somhorst, Harry Harms, Marian Hulscher, Jan Mensinga, Henny Klein, Henk Pras, Wil Folkers, Ab Neutel, Rolf Toonen, Roel Douwes, Kor Raangs, Richard Dijkstra, Martin Busstra, Willem Stouthamer, beheerder René Oosterhuis en Cees Koelewijn. De dames lieten het weer een beetje afweten, maar met 16 aanwezigen was er dus sprake van een flinke opkomst.

 

Roel beet bij aanvang de spits af met een praatje over het fraaie natuurgebied dat we zouden gaan inventariseren. Beheerder René Oosterhuis zou er aldoor bij aanwezig zijn, want hij kent daar de plekjes in, zegt hij zelf, één van de mooiste natuurgebieden in Nederland. Enig chauvinisme is hem natuurlijk niet vreemd. Vanwege de langdurige droogte die we achter ons hebben was het vandaag mogelijk op plekken te komen waar we onder normale (natte) omstandigheden niet zouden kunnen komen. We zijn hier wel eens vaker geweest, ook in het voorjaar, maar toen was het schier onmogelijk het gebied te penetreren. Bovendien is René dan nogal zuinig op de vogeltjes, want grondbroeders als Fitis en Tjiftjaf mogen dan niet gestoord worden. Anderzijds is onze belangstelling voor zo’n vroege inventarisatie niet meer erg groot vanwege de veelvuldige aanvallen van horden knutjes die ons eens op de vlucht deed slaan. Daarvan was nu uiteraard geen sprake en dus konden we wat dat betreft ongestoord onze gang gaan. Het was knap koud deze ochtend en dus doken we graag de bosjes in om daar enigszins in de luwte te verblijven.

 

Het werd al gauw duidelijk dat er deze dag ’veel te halen’ was. Voor mij als schrijver was het haast ondoenlijk om alles bij te houden, maar gelukkig werd door deze en gene zelf een lijstje bijgehouden. Dat het deze dag zou leiden tot zo’n 140 soorten, en dat in één kilometerhok, is veelzeggend voor de potentie van dit gebied en is dit jaar een record. Het scheelde wel dat Inge, Henk Pras, Roel en Richard met ontzettend veel (veelal noodzakelijke) nadeterminaties aan kwamen zetten. Dat was niet nodig bij een kleine mycena nadat daar ’de tanden in waren gezet’. Er was sowieso al een vermoeden en met de bittere smaak in de mond kon de conclusie niet anders luiden dat we hier hadden te maken met de Bittere mycena (Mycena erubescens (KW)). In deze tijd van afbraak was het te verwachten dat vertegenwoordigers van dit geslacht zouden overheersen en dat daar de Blauwgrijze schorsmycena (M. pseudocorticola) zou bijzitten was voorspelbaar. Sommigen vonden het intensieve zoeken op de vierkante meter kennelijk te traag gaan en gingen de bakens verzetten. Op een gegeven moment kwam Jan Mensinga weer terug en liet een foto zien die hij op een plek had gefotografeerd (bij de uitkijktoren) waar we zouden gaan lunchen. Op de foto was een nogal roze zwam te zien dat niets anders kon zijn dan een fotogenieke Toefige labyrintzwam (Abortiporus biennis).

 

Na daar daadwerkelijk te hebben vertoefd werd na de pauze even in de tuin van bijenhouder Ton Thiecke rondgeneusd. Hij woont daar op een daalders plekje (op de knutjes na) en we waren bij een eerdere gelegenheid al bij hem op bezoek geweest. Voor mijn gevoel was dat pakweg drie jaar geleden, maar dat bleek al 3 tot 4 jaar eerder  te zijn geweest. De tijd vliegt! Een soort met (alweer) een aansprekende naam zat in één van de doosjes van Richard: de Kale tweespanzwam (Chaetosphaeria innumera) die volgens de Verspreidingsatlas nieuw in Noord-Nederland is. Eerder verraste hij ons al op een andere tweespanzwam, namelijk de Stoffige - (C. pulviscula). Weinigen zullen dit trouwens hebben meegekregen en dat geldt tevens voor een knotsje dat in de bakjes van Inge en Roel terechtkwam. Beiden kwamen afzonderlijk van elkaar tot de conclusie dat dit de Typhula caricina moet zijn die nog niet eerder in Nederland is gevonden. Gelet op de tweede naam zou je hem het Zeggeknotsje kunnen noemen. Hiervan is later door Inge een foto gemaakt, maar die kun je ook bewonderen op de volgende link: http:/www.pilzbestimmer.de/Detailed/2321.html

 

Terwijl een groepje nog in de bosjes verbleef waren anderen al op weg terug, maar stuitten daarbij op nog enkele aardige soorten, zoals de Dubbelgangerzwam (Pholiota limonella) die sprekend lijkt op de vooral op Beuk parasiterende Goudvliesbundelzwam (P. adiposa). De eerste is juist te vinden in wat vochtiger milieus zoals in de Lettelberter Petten. Toen de groep weer compleet was ontdekten we op de dijk naar de boerderij nog een Meerkikker, waarover ik nog kwijt kon dat deze ’grote jongen’ er niet voor terugdeinst een Winterkoning naar binnen te werken.

 

Soortenlijst klik hier